| 
| |
VOORWOORD
Let
op! Vanaf december
2008 wordt www.tjaberawit.com:
www.tjaberawit.nl
©
Dane Beerling 2002/2005
Voorwoord
(2002/2005) uit: OVER INDISCHEN GESPROKEN
(Het boek is te vinden op pagina Boeken & CD's).
Het
is niet mijn bedoeling, maar toch komt het voor dat totoks (volbloed Hollanders)
bij lezing van Over Indischen gesproken zeggen zich af te vragen of ze
zich moeten schamen voor hun uit Indië stammende geschiedenis en
schuldig voelen over de bejegening van de Indo-Europese bevolkingsgroep
toen. Het is waar dat de toon van de studies in Over Indischen Gesproken
soms wat uitdagend is. Uitdagend ten opzichte van totoks, maar zeker ook
ten opzichte van (latere generaties) Indo’s, omdat ik nogal eens uitgedaagd
word door zoveel flauwekul dat over Indië en Indisch wordt beweerd.
Over Indischen Gesproken is vanuit de optiek van Indo’s geschreven, eenvoudig
omdat ik een Indo ben en bovendien vertrouwd met Indisch door de invloed
van mijn Indo-Europese moeder, haar familie en haar kennissenkring. Indisch
kreeg ik tot ongeveer mijn veertiende jaar ‘met de paplepel ingegoten’,
veel meer dan ‘Hollands’. Vader was een totok. Ook daarna, vanaf dat ik
in Holland kwam, speelde Indisch in mijn leven een bijna even belangrijke
rol als Hollands.
Misvattingen over Indisch
Het is lang niet vanzelfsprekend dat Indo synoniem is met Indisch, ook
al zijn de Indo’s uit Indië afkomstig. Of moet je misschien zeggen
juist omdát ze daar vandaan kwamen? Dat de ene Indo wél
Indisch was en de andere dat beslist niet wilde zijn, had (en heeft) ook
te maken met de opvoeding, die vaak afhankelijk was van de maatschappelijke
positie. Indië was een klassenmaatschappij en een land van rangen
en standen: onder de Hollanders, onder de Indo’s, en eveneens onder de
inheemse bevolking. Rangen en standen had je in Holland ook, maar daar
hadden die in zijn algemeenheid niets te maken met rassenverschillen.
In Indië wel. De kolonie werd geregeerd door middel van het ‘verdeel
en heers’ principe: door kerstening, maar ook door handig gebruik te maken
van de inheemse adat, het tegen elkaar uitspelen van de autochtone heersers
en de Indo-Europeaan tegen de Indonesiërs. Het ‘geven met de ene
hand en terugnemen met de andere’ werd al even enthousiast in praktijk
gebracht. Bijvoorbeeld behoorde de Indo de ene keer, in de koloniale tijd,
tot de Europese bevolkingsgroep, wettelijk tot de Nederlanders, en de
andere keer, nadat Indië in Indonesische handen was gevallen, was
ie prompt Indonesiër en werd op die manier gepoogd zijn repatriëring
naar Holland tegen te gaan.
Het is een misvatting te menen dat Indo’s een homogene bevolkingsgroep
vormden. Dat was alleen maar in naam. Onderlinge verschillen waren er
wel degelijk. Bijvoorbeeld culturele verschillen als gevolg van de opvoeding.
Dat is één. Verder gold vaak ‘hoe blanker, hoe beter’. De
Indo-bevolking was in de Indische maatschappij ook op andere wijze verscheiden:
er was een (kleine) bovenlaag met daar weer onder diverse lagen, een gelaagdheid
die natuurlijk ook zijn invloed had. Ir S. J. Rutgers (1946) in: INDONESIË
/ HET KOLONIALE SYSTEEM IN DE PERIODE TUSSEN DE EERSTE EN DE TWEEDE WERELDOORLOG.
‘Een bijzondere bevolkingsgroep vormen nog de in Indonesië betrekkelijk
talrijke Indo-Europeanen. Vermenging van Europeanen met Inheemsen komt
in tegenstelling met de Engelse koloniën in Indonesië veel voor.
Deze groep omvat zeer verschillende klasse-elementen, maar een belangrijk
deel ervan behoort tot de lagere en middelbare ambtenaren en tot, in koloniale
bedrijven werkzame, beambten. Een bovenste laag tracht door bijzondere
aanhankelijkheid aan het koloniale kapitaal omhoog te komen en streeft
naar zo groot mogelijke gelijkstelling met de Nederlanders door zich van
de inheemse bevolking af te scheiden. Een ander deel sluit zich aan bij
de strijd van de inheemse bevolking voor onaf-hankelijkheid en kan in
die strijd een belangrijke rol vervullen.’
Tot zover een citaat.
‘Indisch’
en Indisch
Tegenwoordig is het in Holland zo, dat ook veel totoks zich over Indisch
uitlaten in de zin dat ze zelf Indisch zijn. Volgens de moderne antropologie
behoren zij inderdaad tot de “Indische Nederlanders”. Dat wordt door de
Indo’s op z’n minst merkwaardig gevonden. In Indië gold de term Indisch,
indien gebruikt om er mensen mee te duiden, voornamelijk voor de Indo’s.
Bij totoks werd er voor gewaakt dat ze niet ‘verindischten’.
Even terzijde: De term “Indische Nederlander” werd in 1945 ‘uitgevonden’
voor hen die hun Nederlanderschap toen kregen of herkregen, in de meeste
gevallen ging het om Indo-Europeanen met een Duitse afstamming. Ze waren
vóór 1945 gewoon Nederlander, maar opeens werden ze ‘een
nieuwe soort Nederlander’, zeg maar. Dat was niet aangenaam voor ze omdat
er iets ‘verdachts’ aan kleefde: Duitsers én Japanners, ze speelden
onder één hoedje immers, waren onze vijand.
De
totoks behoren in deze moderne tijd dus tot de “Indische Nederlanders”
en zijn daarom Indisch. De verschillen uit het verleden met de Indo’s
zijn daarmee natuurlijk niet zo maar en ineens opgeheven. Indo’s constateren
die meestal feilloos. Omdat ze het product zijn van de koloniale geschiedenis,
zouden totoks (én ook Indo’s) dat feit gewoon moeten aanvaarden
en er niet moeilijk over doen. Behalve indien die verschillen door Indo’s
als ‘wapen’ worden gebruikt om de totoks of anderen af te wijzen. In die
richting gaat het al gauw als er gezegd wordt ik ben er trots op een Indo
te zijn. In de kern is die trots onzin. Dat de totok zich daaraan kan
ergeren is heel begrijpelijk. Zo is het ook te begrijpen als Indo’s boos
worden indien het vroeger bij hen ingehamerde verschil tussen hen en de
volbloed Nederlanders wordt ontkend. Oppervlakkig bezien zijn de wonden
uit het verleden genezen, dat lijkt echter vaak alleen maar zo, want je
kan ze heel gemakkelijk weer openrijten. En waarom zou je dat doen?
‘Ik ben er trots op dat ik een Indo ben’, of het op andere wijze afficheren
van die ‘trots’, heeft geen zin, het verschilt niet met bijvoorbeeld ‘Black
is beautiful!’. Dergelijke beweringen houden de ware geschiedenis alleen
maar verborgen. Een vrouw zei ‘ns dat ze ‘zo gelukkig was als Turkse geboren
te zijn’. Maar ‘Waarom zou dat je nou gelukkig maken?’, vroeg de jonge
Arzo Özgur zich geërgerd af (VPRO-GIDS nr. 45 / 2001).
Waarom, inderdaad. Leg uit waarom je er trots op bent een Indo te zijn,
misschien is er inderdaad een reden voor, maar laat dat dan weten.
Het
‘Indisch’ van totoks is voor Indo’s vaak onaangenaam: het is ‘anstiel’
(aanstellerij, onecht). Bijvoorbeeld komt het nogal eens voor dat door
totoks de laatste ‘n’ van een woord nadrukkelijk wordt uitgesproken, dat
het eigenaardige ‘eh-he’ wordt gebruikt en slecht Nederlands gesproken
à la Wieteke van Dort zodra totoks Indo’s zien. Een beetje zoals
Hollandse kinderen het Nederlands van hun allochtone vriendjes nadoen.
Maar die kinderen doen het wel feilloos, en bovendien heel ‘naturel’.
Allochtone kinderen vinden het niet vervelend, en dat komt ook omdat er
geen koloniale geschiedenis achter zit, zoals bij Indo’s.
Totoks uit Indië zeggen nogal eens dat ze verschillen met de totoks
in Holland. Dat lijkt me zeker te kunnen. Niemand immers verblijft enige
tijd in de tropen, zonder daardoor te worden beïnvloed. Het maakt
ook verschil of je in het koloniale Indië bent opgegroeid, of in
Holland. Moet je dat verschil Indisch noemen? Zo ja, in welke zin dan
Indisch? Want het ene Indisch is niet het andere. ‘De mate van Indisch
zijn wordt bepaald door de verhouding die je tot dat land, het voormalige
Nederlands-Indië, had.’, luidt een stelling van de totok Joop van
de Berg. Ik kan met die stelling niet uit de voeten. Wat verstaat hij
onder Indisch? Indisch zijn werd toch vooral bepaald door de maatschappelijke
positie die je er op grond van je ras had? Zonder nadere precisering van
Indisch door Joop van den Berg wordt de ‘gelaagdheid’ (op basis van ras)
van onze vroegere kolonie verbloemd. Het totokse Indisch is niet het Indisch
van de Indo’s. Indo kinderen groeiden deels anders op. Totoks waren als
vanzelfsprekend Nederlanders, Indo’s (lang niet alle) konden het Nederlanderschap
verkrijgen, in de meeste gevallen indien zij erkend werden door hun Europese
vader c.q. Europese voorouders in de mannelijke lijn. Door het zonder
nadere uitleg gebruiken van de term Indisch worden die ‘merkwaardigheden’
in ruime culturele zin, ontkend, en dat leidt op z’n minst tot verwarring.
“De Europeanen die geen bloedband hadden met de autochtone bewoners van
Afrika, wel of niet daar geboren zijn, waren toeschouwers ontroerd door
een toneeldecor. Voor hen was Afrika een luxe, de cultuur van Afrika een
fenomeen dat opgemerkt kon worden. Afrikanen waren het ’product’ van die
cultuur.”, zegt Prins Kwasi ongeveer in Arthur Japin’s De zwarte met het
witte hart uit 1997.
Was het ánders in het voormalige Nederlands-Indië? Onlangs
zei een Brit dat de Britten in India meer Brits waren dan die in Engeland
zelf. Ik sluit niet uit dat dat ook geldt voor de het Hollands zijn van
Hollanders in het voormalige Nederlands-Indië.
Taal
Van het Indisch van Indo’s is gelukkig nog veel bijeen te brengen, voornamelijk
door Indo’s zelf. Het is zeer opvallend dat ofschoon Indië al geruime
tijd bron van uitgebreid onderzoek is, er weinig studie is gedaan naar
de culturele eigenheden, naar het Indische in die zin van de (uit Indië
afkomstige) Indo’s en totoks. Voor wat de Indo’s betreft, vormen bijvoorbeeld
G. L. Cleintuar en Tjalie Robinson gunstige uitzonderingen. Over Indisch
van totoks (als gevolg van hun verblijf in Indië) is eigenlijk helemaal
niets bekend. Zelf heb ik meermalen bij totoks aangedrongen om boven water
te halen wat precies hun culturele eigenheden zijn en op welke wijze ze
verschillen met de Hollandse. Een van hen is de ex-journalist van de NRC,
Peter Schumacher, hij schonk in zijn blad altijd veel aandacht aan “Indische
zaken”. Een poos deed hij als enige totok mee met de briefwisseling “Indisch
zijn en (beeldende) kunst” tussen Indo’s. Schumacher koos fotografie voor
zijn beeldende inbreng, maar belangrijker achtte ik zijn geschreven (journalistieke)
bijdragen en dat hij totok was, in die samenhang. Want zo zou via hem
Indisch (in de briefwisseling) een extra kleur kunnen krijgen. Ik was
enthousiast en hoopvol gestemd. Het is hem helaas niet gelukt. Toch moet
het speurwerk naar het Indisch zijn van totoks wel uit de totokhoek zelf
komen, zoals het Indisch zijn van Indo’s uit de Indohoek.
Ook Frits van den Bosch, schrijver van onder meer “In een plooi van de
tijd”, kon met het onderwerp niet zo goed uit de voeten. Van zijn weduwe
kreeg ik onlangs een aan mij gerichte brief, posthuum, want hij heeft
hem nooit zelf verstuurd. Hij woonde mijn lezing “Indisch zijn of niet
Indisch zijn, dat is de vraag” eens bij en schrijft:
“Wat de Indo-maatschappij betreft, ik erger me aan mensen die jullie blijven
verwijten dat je zo aan achteruitzetting en discriminatie hangt. Ik heb
het nu niet over de bulé’s in de Jappenkampen, waar ik zelf toe
hoor. Ons soort mensen – denk aan Peter Schumacher, Hella Haasse, ja,
aan de recalcitrante Kousbroek ook – heeft zijn eigen problematiek. Wij
aarden niet in Holland, uit Indië stammen wij niet, wij horen nergens
bij. Wij werden niet gediscrimineerd, wij discrimineerden. Althans onze
ouders. ‘Praat niet zo Indisch! Loop niet zo Indisch!’ Zo maakte mijn
totok-vader me klein.”
Totoks
proberen het met de Indo ‘taal’, het aan het Zuid-Afrikaans verwante Petjok,
maar dat gaat vrijwel altijd mis. Indo’s, maar zeker lang niet alle, slagen
er beter in omdat ze beschikken over het timbre, de Maleise uitspraak
goed beheersen en minder moeite hebben met de typische uitdrukkingen en
structuur van Petjok. Bij de jongere generaties Indo’s gaat het ook mis
en klinkt hun Petjok ronduit erbarmelijk, helaas. Extra pijnlijk is het
indien ze bruin ogen.
Petjok, Indisch-Nederlands of Bataviaans, was langzaam gegroeid tot bijna
een volwaardige taal en werd een tijdlang officieel gebezigd. Dat Petjok
niet ingeburgerd raakte en zich niet heeft kunnen ontwikkelen als bijvoorbeeld
het Zuid-Afrikaans, kwam doordat er verzet tegen was van Hollandse ‘taalpuristen’
als F. P. H. Prick van Wely, leraar Nederlands in Batavia (begin vorige
eeuw). Het moest zuiver Nederlands wezen. Voor Prick van Wely was Indisch
Nederlands ‘de kanker die vreet aan onze taal’. Zo oppervlakkig bezien
krijgt die meneer Prick alsnog gelijk, dankzij het slechte Nederlands
van de totok Wieteke van Dort, alias Tante Lien, die spreekt helemaal
geen Petjok c.q. Indisch Nederlands c.q. Bataviaans.
Petjok werd naar plekken aan de rand van de Indische maatschappij geschoven,
waar de meeste Indo’s zaten en de enkele verkampungte volbloed Europeanen.
Bij andere Indo’s werd het Petjok alleen informeel gebruikt, in de huiselijke
kring en onder vrienden. De kinderen moesten Algemeen Nederlands leren,
maar pikten het Petjok op die wijze even gemakkelijk op als het Algemeen
Nederlands van school, of juist gemakkelijker.
Een Indische vertelde dat ze van haar moeder goed Nederlands moest spreken
in Indië. Maar zelf hield haar ma zich daar niet aan. Toen dochterlief
riep: ‘Praat niet zo Indisch!’, was het antwoord: ‘Maar dat is mijn taal.’
Kennelijk
omdat Petjok in Indië nooit een algemene taal is kunnen worden, denkt
men dat Petjok daarom ook geen taal is, en je er maar raak mee kunt doen
en zo ook ‘Petjok’ spreken. Zoals gezegd had het Petjok wel degelijk de
potentie om een volwaardige taal te kunnen worden (het functioneerde ooit
als zodanig!). Daarom geldt ook voor Petjok dat het net zo’n ‘vreemde’
taal is als bijvoorbeeld het Engels, Duits, Frans. Je moet hem eerst leren,
je erin verdiepen, om Petjok te kunnen spreken. Het praten van, en als,
Tante Lien van Wieteke van Dort is zoals gezegd gewoon slecht Nederlands.
Dát is waarom gelachen wordt. Zelden of nooit gaat het om de ínhoud.
Het kan komisch aandoen als iemand een taal probeert te spreken die hij
niet beheerst, maar zo iemand nadoen is een oppervlakkige bezigheid, verdomd
goedkoop en vaak beledigend.
Indisch
spreken is weer een ander fenomeen. De acteur Coen Pronk kan dat uitstekend
omdat het Indisch idioom hem eigen is. Hij gaf van Indisch spreken wat
staaltjes weg bij het uitbeelden van Yvonne Keuls’ Indische ‘moeder’.
Niks geen flauwekul bij Pronk, maar prachtig! Hoe het gesteld is met Coen
Pronk’s Petjok weet ik niet, maar ‘op de tast’ zeg ik dat hij dat ook
heel goed zou kunnen. De Indo’s Guus Weinhold - in Indische kringen legendarisch
- en Joop Barneveld - evenmin een onbekende - beheersen het Petjok, weten
ook veel van (de geschiedenis) en hebben daar schitterend over verteld.
Zelf houd ik lezingen over en deels in Petjok en schrijf in die taal.
Bij een van mijn optredens was ook Lilian Ducelle (weduwe van Tjalie Robinson).
Een dag later belde ze me op en zei ongeveer: ‘Zo écht weet je
Dane, jouw Petjok!’, inclusief het uitroepteken, in alle bescheidenheid
gezegd. Joop Barneveld, Guus Weinhold en ik behoren tot de laatsten der
mohikanen als het om Petjok gaat, en zo vaak zullen we gezien onze leeftijd
niet meer optreden. Guus Weinhold is er al mee gestopt. Coen Pronk is
jonger dan wij, hij en de zijnen zouden het estafettestokje van ons kunnen
overnemen. Veel is te vinden in het praktische en meest complete boek
over Petjok “Leew is tijher, alleen sijn celana monyet met sonder strepen,
PETJOK”. De uitgave is van Benteng Beruang Amsterdam.
Voorwoord
(2002/2005) uit: OVER INDISCHEN GESPROKEN.
Het
is niet mijn bedoeling, maar toch komt het voor dat totoks (volbloed Hollanders)
bij lezing van Over Indischen gesproken zeggen zich af te vragen of ze
zich moeten schamen voor hun uit Indië stammende geschiedenis en
schuldig voelen over de bejegening van de Indo-Europese bevol-kingsgroep
toen. Het is waar dat de toon van de studies in Over Indischen Gesproken
soms wat uitdagend is. Uitdagend ten opzichte van totoks, maar zeker ook
ten opzichte van (latere generaties) Indo’s, omdat ik nogal eens uitgedaagd
word door zoveel flauwekul dat over Indië en Indisch wordt beweerd.
Over Indischen Gesproken is vanuit de optiek van Indo’s geschreven, eenvoudig
omdat ik een Indo ben en bovendien vertrouwd met Indisch door de invloed
van mijn Indo-Europese moeder, haar familie en haar kennissenkring. Indisch
kreeg ik tot ongeveer mijn veertiende jaar ‘met de paplepel ingegoten’,
veel meer dan ‘Hollands’. Vader was een totok. Ook daarna, vanaf dat ik
in Holland kwam, speelde Indisch in mijn leven een bijna even belangrijke
rol als Hollands.
Misvattingen over Indisch
Het is lang niet vanzelfsprekend dat Indo synoniem is met Indisch, ook
al zijn de Indo’s uit Indië afkomstig. Of moet je misschien zeggen
juist omdát ze daar vandaan kwamen? Dat de ene Indo wél
Indisch was en de andere dat beslist niet wilde zijn, had (en heeft) ook
te maken met de opvoeding, die vaak afhankelijk was van de maatschappelijke
positie. Indië was een klassenmaatschappij en een land van rangen
en standen: onder de Hollanders, onder de Indo’s, en eveneens onder de
inheemse bevolking. Rangen en standen had je in Holland ook, maar daar
hadden die in zijn algemeenheid niets te maken met rassenverschillen.
In Indië wel. De kolonie werd geregeerd door middel van het ‘verdeel
en heers’ principe: door kerstening, maar ook door handig gebruik te maken
van de inheemse adat, het tegen elkaar uitspelen van de autochtone heersers
en de Indo-Europeaan tegen de Indonesiërs. Het ‘geven met de ene
hand en terugnemen met de andere’ werd al even enthousiast in praktijk
gebracht. Bijvoorbeeld behoorde de Indo de ene keer, in de koloniale tijd,
tot de Europese bevolkingsgroep, wettelijk tot de Nederlanders, en de
andere keer, nadat Indië in Indonesische handen was gevallen, was
ie prompt Indonesiër en werd op die manier gepoogd zijn repatriëring
naar Holland tegen te gaan.
Het is een misvatting te menen dat Indo’s een homogene bevolkingsgroep
vormden. Dat was alleen maar in naam. Onderlinge verschillen waren er
wel degelijk. Bijvoorbeeld culturele verschillen als gevolg van de opvoeding.
Dat is één. Verder gold vaak ‘hoe blanker, hoe beter’. De
Indo-bevolking was in de Indische maatschappij ook op andere wijze verscheiden:
er was een (kleine) bovenlaag met daar weer onder diverse lagen, een gelaagdheid
die natuurlijk ook zijn invloed had. Ir S. J. Rutgers (1946) in: INDONESIË
/ HET KOLONIALE SYSTEEM IN DE PERIODE TUSSEN DE EERSTE EN DE TWEEDE WERELDOORLOG.
‘Een bijzondere bevolkingsgroep vormen nog de in Ind-nesië betrekkelijk
talrijke Indo-Europeanen. Vermenging van Europeanen met Inheemsen komt
in tegenstelling met de Engelse koloniën in Indonesië veel voor.
Deze groep omvat zeer verschillende klasse-elementen maar een belangrijk
deel ervan behoort tot de lagere en middelbare ambtenaren en tot, in koloniale
bedrijven werkzame, beambten. Een bovenste laag tracht door bijzondere
aanhankelijkheid aan het koloniale kapitaal omhoog te komen en streeft
naar zo groot mogelijke gelijkstelling met de Nederlanders door zich van
de inheemse bevolking af te scheiden. Een ander deel sluit zich aan bij
de strijd van de inheemse bevolking voor onafhankelijkheid en kan in die
strijd een belangrijke rol vervullen.’
Tot zover een citaat.
‘Indisch’
en Indisch
Tegenwoordig is het in Holland zo, dat ook veel totoks zich over Indisch
uitlaten in de zin dat ze zelf Indisch zijn. Volgens de moderne antropologie
behoren zij inderdaad tot de “Indische Nederlanders”. Dat wordt door de
Indo’s op z’n minst merkwaardig gevonden. In Indië gold de term Indisch,
indien gebruikt om er mensen mee te duiden, voornamelijk voor de Indo’s.
Bij totoks werd er voor gewaakt dat ze niet ‘verindischten’.
Even terzijde: De term “Indische Nederlander” werd in 1945 ‘uitgevonden’
voor hen die hun Nederlanderschap toen kregen of herkregen, in de meeste
gevallen ging het om Indo-Europeanen met een Duitse afstamming. Ze waren
vóór 1945 gewoon Nederlander, maar opeens werden ze ‘een
nieuwe soort Nederlander’, zeg maar. Dat was niet aangenaam voor ze omdat
er iets ‘verdachts’ aan kleefde: Duitsers én Japanners, ze speelden
onder één hoedje immers, waren onze vijand.
De
totoks behoren in deze moderne tijd dus tot de “Indische Nederlanders”
en zijn daarom Indisch. De verschillen uit het verleden met de Indo’s
zijn daarmee natuurlijk niet zo maar en ineens opgeheven. Indo’s constateren
die meestal feilloos. Omdat ze het product zijn van de koloniale geschiedenis,
zouden totoks (én ook Indo’s) dat feit gewoon moeten aanvaarden
en er niet moeilijk over doen. Behalve indien die verschillen door Indo’s
als ‘wapen’ worden gebruikt om de totoks of anderen af te wijzen. In die
richting gaat het al gauw als er gezegd wordt ik ben er trots op een Indo
te zijn. In de kern is die trots onzin. Dat de totok zich daaraan kan
ergeren is heel begrijpelijk. Zo is het ook te be grijpen als Indo’s boos
worden indien het vroeger bij hen ingehamerde verschil tussen hen en de
volbloed Nederlanders wordt ontkend. Oppervlakkig bezien zijn de wonden
uit het verleden genezen, dat lijkt echter vaak alleen maar zo, want je
kan ze heel gemakkelijk weer openrijten. En waarom zou je dat doen?
‘Ik ben er trots op dat ik een Indo ben’, of het op andere wijze afficheren
van die ‘trots’, heeft geen zin, het verschilt niet met bijvoorbeeld het
in de kern tragische ‘Black is beautiful!’. Dergelijke beweringen houden
de ware geschiedenis alleen maar verborgen. Een vrouw zei ‘ns dat ze ‘zo
gelukkig was als Turkse geboren te zijn’. Maar ‘Waarom zou dat je nou
gelukkig maken?’, vroeg de jonge Arzo Özgur zich geërgerd af
(VPRO-GIDS nr. 45 / 2001).
Waarom?, inderdaad. Leg uit waarom je er trots op bent een Indo te zijn,
misschien is er inderdaad een reden voor, maar laat dat dan weten.
Het
‘Indisch’ van totoks is voor Indo’s vaak onaangenaam: het is ‘anstiel’
(aanstellerij, onecht). Bijvoorbeeld komt het nogal eens voor dat door
totoks de laatste ‘n’ van een woord nadrukkelijk wordt uitgesproken, dat
het eigenaardige ‘eh-he’ wordt gebruikt en slecht Nederlands gesproken
à la Wieteke van Dort zodra totoks Indo’s zien. Een beetje zoals
Hollandse kinderen het Nederlands van hun allochtone vriendjes nadoen.
Maar die kinderen doen het wel feilloos, en bovendien heel ‘naturel’.
Allochtone kinderen vinden het niet vervelend, en dat komt ook omdat er
geen koloniale geschiedenis achter zit, zoals bij Indo’s.
Totoks uit Indië zeggen nogal eens dat ze verschillen met de totoks
in Holland. Dat lijkt me zeker te kunnen. Niemand immers verblijft enige
tijd in de tropen, zonder daardoor te worden beïnvloed. Het maakt
ook verschil of je in het koloniale Indië bent opgegroeid, of in
Holland. Moet je dat verschil Indisch noemen? Zo ja, in welke zin dan
In disch? Want het ene Indisch is niet het andere. ‘De mate van Indisch
zijn wordt bepaald door de verhouding die je tot dat land, het voormalige
Nederlands-Indië, had.’, luidt een stelling van de totok Joop van
de Berg. Ik kan met die stelling niet uit de voeten. Wat verstaat hij
onder Indisch? Indisch zijn werd toch vooral bepaald door de maatschappelijke
positie die je er op grond van je ras had? Zonder nadere precisering van
Indisch door Joop van den Berg wordt de ‘gelaagdheid’ (op basis van ras)
van onze vroegere kolonie verbloemd. Het totokse Indisch is niet het Indisch
van de Indo’s. Indo kinderen groeiden deels anders op. Totoks waren als
vanzelfsprekend Nederlanders, Indo’s (lang niet alle) konden het Nederlanderschap
verkrijgen, in de meeste gevallen indien zij erkend werden door hun Europese
vader c.q. Europese voorouders in de mannelijke lijn. Door het zonder
nadere uitleg gebruiken van de term Indisch worden die ‘merkwaardigheden’
in ruime culturele zin, ontkend, en dat leidt op z’n minst tot verwarring.
“De Europeanen die geen bloedband hadden met de autochtone bewoners van
Afrika, wel of niet daar geboren zijn, waren toeschouwers ontroerd door
een toneeldecor. Voor hen was Afrika een luxe, de cultuur van Afrika een
fenomeen dat opgemerkt kon worden. Afrikanen waren het ’product’ van die
cultuur.”, zegt Prins Kwasi ongeveer in Arthur Japin’s De zwarte met het
witte hart uit 1997.
Was het ánders in het voormalige Nederlands-Indië? Onlangs
zei een Britse onderzoeker dat de Britten in India meer Brits waren dan
die in Engeland zelf. Ik sluit niet uit dat dat ook geldt voor de het
Hollands zijn van Hollanders in het voormalige Nederlands-Indië.
Taal
Van het Indisch van Indo’s is gelukkig nog veel bijeen te brengen, voornamelijk
door Indo’s zelf. Het is zeer opvallend dat ofschoon Indië al geruime
tijd bron van uitge breid onderzoek is, er weinig studie is gedaan naar
de culturele eigenheden, naar het Indische in die zin van de (uit Indië
afkomstige) Indo’s en totoks. Voor wat de Indo’s betreft, vormen bijvoorbeeld
G. L. Cleintuar en Tjalie Robinson gunstige uitzonderingen. Over Indisch
van totoks (als gevolg van hun verblijf in Indië) is eigenlijk helemaal
niets bekend. Zelf heb ik meermalen bij totoks aangedrongen om boven water
te halen wat precies hun culturele eigenheden zijn en op welke wijze ze
verschillen met de Hollandse. Een van hen is de ex-journalist van de NRC,
Peter Schumacher, hij schonk in zijn blad altijd veel aandacht aan “Indische
zaken”. Een poos deed hij als enige totok mee met de briefwisseling “Indisch
zijn en (beeldende) kunst” tussen Indo’s. Schumacher koos fotografie voor
zijn beeldende inbreng, maar belangrijker achtte ik zijn geschreven (journalistieke)
bijdragen en dat hij totok was, in die samenhang. Want zo zou via hem
Indisch (in de briefwisseling) een extra kleur kunnen krijgen. Ik was
enthousiast en hoopvol gestemd. Het is hem helaas niet gelukt. Toch moet
het speurwerk naar het Indisch zijn van totoks wel uit de totokhoek zelf
komen, zoals het Indisch zijn van Indo’s uit de Indohoek.
Ook Frits van den Bosch, schrijver van onder meer “In een plooi van de
tijd”, kon met het onderwerp niet zo goed uit de voeten. Van zijn weduwe
kreeg ik onlangs een aan mij gerichte brief, posthuum, want hij heeft
hem nooit zelf verstuurd. Hij woonde mijn lezing “Indisch zijn of niet
Indisch zijn, dat is de vraag” eens bij en schrijft:
“Wat de Indo-maatschappij betreft, ik erger me aan mensen die jullie blijven
verwijten dat je zo aan achteruitzetting en discriminatie hangt. Ik heb
het nu niet over de bulé’s in de Jappenkampen, waar ik zelf toe
hoor. Ons soort mensen – denk aan Peter Schumacher, Hella Haasse, ja,
aan de recalcitrante Kousbroek ook – heeft zijn eigen proble-matiek. Wij
aarden niet in Holland, uit Indië stammen wij niet, wij horen nergens
bij. Wij werden niet gediscrimineerd, wij discrimineerden. Althans onze
ouders. ‘Praat niet zo Indisch! Loop niet zo Indisch!’ Zo maakte mijn
totok-vader me klein.”
Totoks
proberen het met de Indo ‘taal’, het aan het Zuid-Afrikaans verwante Petjok,
maar dat gaat vrijwel altijd mis. Indo’s, maar zeker lang niet alle, slagen
er beter in omdat ze beschikken over het timbre, de Maleise uitspraak
goed beheersen en minder moeite hebben met de typische uitdrukkingen en
structuur van Petjok. Bij de jongere generaties Indo’s gaat het ook mis
en klinkt hun Petjok ronduit erbarmelijk, helaas. Extra pijnlijk is het
indien ze bruin ogen.
Petjok, Indisch-Nederlands of Bataviaans, was langzaam gegroeid tot bijna
een volwaardige taal en werd een tijdlang officieel gebezigd. Dat Petjok
niet ingeburgerd raakte en zich niet heeft kunnen ontwikkelen als bijvoorbeeld
het Zuid-Afrikaans, kwam doordat er verzet tegen was van Hollandse ‘taalpuristen’
als F. P. H. Prick van Wely, leraar Nederlands in Batavia (begin vorige
eeuw). Het moest zuiver Nederlands wezen. Voor Prick van Wely was Indisch
Nederlands ‘de kanker die vreet aan onze taal’. Zo oppervlakkig bezien
krijgt die meneer Prick alsnog gelijk, dankzij het slechte Nederlands
van de totok Wieteke van Dort, alias Tante Lien, die spreekt helemaal
geen Petjok c.q. Indisch Nederlands c.q. Bataviaans.
Petjok werd naar plekken aan de rand van de Indische maatschappij geschoven,
waar de meeste Indo’s zaten en de enkele verkampungte volbloed Europeanen.
Bij andere Indo’s werd het Petjok alleen informeel gebruikt, in de huiselijke
kring en onder vrienden. De kinderen moesten Algemeen Beschaafd Nederlands
leren, maar pikten het Petjok op die wijze even gemakkelijk op als het
Algemeen Beschaafd Nederlands van school, of juist gemakkelijker.
Een Indische vertelde dat ze van haar moeder goed Ne-derlands moest spreken
in Indië. Maar zelf hield haar ma zich daar niet aan. Toen dochterlief
riep: ‘Praat niet zo Indisch!’, was het antwoord: ‘Maar dat is mijn taal.’
Kennelijk
omdat Petjok in Indië nooit een algemene taal is kunnen worden, denkt
men dat Petjok daarom ook geen taal is, en je er maar raak mee kunt doen
en zo ook ‘Petjok’ spreken. Zoals gezegd had het Petjok wel degelijk de
potentie om een volwaardige taal te kunnen worden (het functioneerde ooit
als zodanig!). Daarom geldt ook voor Petjok dat het net zo’n ‘vreemde’
taal is als bijvoorbeeld het Engels, Duits, Frans. Je moet hem eerst leren,
je erin verdiepen, om Petjok te kunnen spreken. Het praten van, en als,
Tante Lien van Wieteke van Dort is zoals gezegd gewoon slecht Nederlands.
Dát is waarom gelachen wordt. Zelden of nooit gaat het om de ínhoud.
Het kan komisch aandoen als iemand een taal probeert te spreken die hij
niet beheerst, maar zo iemand nadoen is een oppervlakkige bezigheid, verdomd
goedkoop en vaak beledigend.
Indisch
spreken is weer een ander fenomeen. De acteur Coen Pronk kan dat uitstekend
omdat het Indisch idioom hem eigen is. Hij gaf van Indisch spreken wat
staaltjes weg bij het uitbeelden van Yvonne Keuls’ Indische ‘moeder’.
Niks geen flauwekul bij Pronk, maar prachtig! Hoe het gesteld is met Coen
Pronk’s Petjok weet ik niet, maar ‘op de tast’ zeg ik dat hij dat ook
heel goed zou kunnen. De Indo’s Guus Weinhold - in Indische kringen legendarisch
- en Joop Barneveld - evenmin een onbekende - beheersen het Petjok, weten
ook veel van (de geschiedenis) en hebben daar schitterend over verteld.
Zelf houd ik lezingen over en deels in Petjok en schrijf in die taal.
Bij een van mijn optredens was ook Lilian Ducelle (weduwe van Tjalie Robinson).
Een dag later belde ze me op en zei ongeveer: ‘Zo écht weet je
Dane, jouw Petjok!’, inclusief het uitroepteken, in alle bescheidenheid
gezegd. Joop Barneveld, Guus Weinhold en ik behoren tot de laatsten der
mohikanen als het om Petjok gaat, en zo vaak zullen we gezien onze leeftijd
niet meer optreden. Guus Weinhold is er al mee gestopt. Coen Pronk is
jonger dan wij, hij en de zijnen zouden het estafettestokje van ons kunnen
overnemen. Veel is te vinden in het praktische en meest complete boek
over Petjok “Leew is tijher, alleen sijn celana monyet met sonder strepen,
PETJOK”. De uitgave is van Benteng Beruang Amsterdam. Klik op Boeken&CD Prijzen.
Terug naar
Index = home.
!U
bent vrij om gegevens, artikelen, gedichten enzovoorts van onze sites
over te nemen voor privé gebruik, maar vermeldt daarbij wel de bron, anders
zouden uw familie, vrienden en kennissen denken dat u de maker
bent.
Overnemen
en publiceren , in welke vorm dan ook, mag alleen met
schriftelijke toestemming van auteur enIndische
Cultuur (in) Beweging.
Bronvermelding
is altijd verplicht. U loopt anders gemakkelijk het gevaar dat u van plagiaat
wordt beschuldigd. In het openbaar overkomt dat Adriaan van Dis nu al
voor de tweede maal.
Copyright ©
2006 Indische
Cultuur (in) Beweging
en D. W. Beerling
|